De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft op 22 september 2017 een conclusie gevraagd aan staatsraad advocaat-generaal (A-G) Widdershoven. De conclusie ziet op de vraag of een waarschuwing een appellabel besluit in de zin van de Awb is. Hoewel conclusies inmiddels met regelmaat worden gevraagd, heeft de voorzitter van de Afdeling in deze procedure voor het eerst aan een ieder de mogelijkheid geboden om voor 20 oktober 2017 schriftelijk te reageren op de vraag die aan A-G Widdershoven is voorgelegd. Hiermee heeft de Afdeling de zogeheten amicus curiae (vertaling: ‘vriend van de rechtbank’, of volgens de Afdeling: ‘meedenkers’) in het bestuursrecht geïntroduceerd.

In dit blog, dat onderdeel vormt van een tweeluik over de amicus curiae, sta ik stil bij de grondslag van de amicus curiae. In het tweede blog ga ik in op de vraag in hoeverre procespartijen bij de toepassing van de amicus curiae worden betrokken, en hoe de toepassing van de amicus curiae zich verhoudt tot de omstandigheid dat de Afdeling uiteindelijk een geschil tussen die procespartijen beslecht.

Amicus curiae in het civiele recht

Het civiele recht omvat een duidelijke grondslag voor de amicus curiae. Sinds 1 juli 2012 kan de Hoge Raad, in procedures waarin prejudiciële vragen aan de civiele kamer van de Hoge Raad zijn voorgelegd, bepalen dat anderen dan partijen binnen een daartoe te bepalen termijn in de gelegenheid worden gesteld om schriftelijke opmerkingen te maken (artikel 393 lid 2 Rv en artikel 8.1. e.v. van het Reglement prejudiciële vragen van de civiele kamer van de Hoge Raad).

Grondslag in het bestuursrecht

De toepassing van de amicus curiae door de Afdeling is een unicum in het bestuursrecht. Anders dan in het civiele recht is in het bestuursrecht geen duidelijke, wettelijke grondslag voor de toepassing van de amicus curiae opgenomen.

Artikel 8:45 Awb

Artikel 8:45 lid 1 Awb bepaalt dat de bestuursrechter partijen en anderen kan verzoeken binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk inlichtingen te geven en onder hen berustende stukken in te zenden. Dit artikel lijkt met name te zien op inlichtingen en stukken die zaakspecifiek zijn. De amicus curiae is daarentegen een instrument dat niet zozeer bijdraagt aan de beslechting van een individueel geschil, maar vooral de rechtseenheid en rechtsontwikkeling dient. De A-G en Afdeling kunnen met de inbreng van de amicus curiae immers inventariseren of en zo ja welke uiteenlopende opvattingen over de voorgelegde rechtsvraag bestaan. Aangezien een ieder mag reageren, kunnen verschillende belangen en invalshoeken naar voren worden gebracht. Afhankelijk van de inbreng kan ook (beter) worden ingeschat wat de consequenties van een uitspraak voor anderen dan de betrokken partijen kunnen zijn. De A-G en de Afdeling kunnen hiermee rekening houden bij het formuleren van de conclusie en later de uitspraak, die naar alle waarschijnlijkheid zaaksoverstijgend zal zijn.

Artikel 8:45a Awb

Een artikel dat meer op de amicus curiae lijkt te duiden is artikel 8:45a Awb. Op grond van die bepaling hebben de Europese Commissie en de Autoriteit Consument en Markt (ACM) de bevoegdheid om in een bestuursrechtelijke procedure, waarin zij niet optreden, schriftelijke opmerkingen te maken indien zij de wens daartoe te kennen hebben gegeven. Deze bevoegdheid geldt dus echter niet voor iedereen, en is sowieso beperkt tot procedures over de toepassing van Verordening 1/2003. Bovendien hebben de Europese Commissie en de ACM ook niet de toestemming van de bestuursrechter nodig, om schriftelijke opmerkingen te maken. Zij hoeven enkel aan te geven de wens daartoe te hebben, zonder dat de bestuursrechter vervolgens de mogelijkheid tot het maken van opmerkingen lijkt te kunnen weigeren.

Op naar een grondslag in de Awb?

Nu het civiele recht – anders dan het bestuursrecht – wel een duidelijke grondslag kent voor de amicus curiae, komt de vraag op of de Awb moet worden aangepast.

De Poorter heeft in zijn artikel ‘Het belang van de amicus curiae voor de rechtsvormende taak van de hoogste bestuursrechters’ (NTB 2015/7) bepleit dat artikel 8:45 lid 1 Awb voldoende ruimte biedt om met de amicus curiae te experimenteren, maar dat op termijn een (expliciete) wettelijke grondslag voor deze figuur in de Awb wenselijk is. Het is zeer goed mogelijk dat de Afdeling in lijn hiermee eerst ervaring wil opdoen met de amicus curiae, voordat bepalingen in de Awb worden voorgesteld die de amicus curiae niet alleen mogelijk maken maar ook nader kunnen inkaderen. Dat lijkt mij ook geen bezwaar. Wel komt de vraag op of en zo ja hoe procespartijen op de inbreng van de amici curiae kunnen reageren (zie daarover blog II in dit tweeluik). Zolang de Awb geen expliciete grondslag kent voor de toepassing van de amicus curiae, zal de Afdeling met persberichten en in uitspraken moeten verduidelijken hoe zij de toepassing van de amicus curiae voor zich ziet.

Bron: persbericht Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 september 2017

Zie ook: De Poorter ‘Het belang van de amicus curiae voor de rechtsvormende taak van de hoogste bestuursrechters’, NTB 2015/7

Dit blog maakt deel uit van een tweeluik over de amicus curiae. In dit eerste blog is stilgestaan bij de grondslag van de amicus curiae. Het tweede blog behandelt de rol van de procespartijen.

Share This