Sinds januari 2019 kunnen burgemeesters woningen en andere panden sluiten wanneer daarin voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die bestemd zijn voor de productie van drugs. Inmiddels zijn de eerste uitspraken verschenen over deze verruimde sluitingsbevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet. Wat kunnen we daaruit opmaken voor de praktijk?

 

Uitbreiding van de sluitingsbevoegdheid

In het blog  Bestuurlijke aanpak van ondermijning: de agenda voor 2019 haalden we kort aan dat sinds 1 januari 2019 artikel 13b van de Opiumwet is uitgebreid. Voordien kon de burgemeester woningen en andere panden sluiten als een handelshoeveelheid van 0,5 gram harddrugs of 5 gram softdrugs was aangetroffen of wanneer op basis van andere feiten en omstandigheden aannemelijk kon worden gemaakt dat in het pand in drugs werd gehandeld. De sluitingsbevoegdheid van artikel 13b van de Opiumwet kan sinds 1 januari 2019 ook worden ingezet als alleen voorwerpen of stoffen worden aangetroffen die bestemd zijn voor het bereiden, bewerken of vervaardigen van harddrugs of voor grootschalige of bedrijfsmatige illegale hennepteelt. Voor toepassing van deze verruimde sluitingsbevoegdheid is vereist dat de persoon die deze stoffen of voorwerpen voorhanden heeft, weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat de stoffen of voorwerpen bestemd zijn voor de productie van drugs.

 

Worden de verwachtingen waargemaakt? – 4 uitspraken

Onze verwachting was dat de burgemeester een pand nu in meer gevallen kan laten sluiten. Inmiddels zijn de eerste zeven uitspraken verschenen waarin burgemeesters gebruik hebben gemaakt van de verruimde sluitingsbevoegdheid. In vier van de zeven uitspraken was in geschil of sprake was van voorwerpen of stoffen als hiervoor bedoeld. Deze vier uitspraken bespreken we hier.

Uitspraak van 14 maart 2019

In de garage van een woonhuis in Waalwijk werden onder meer koolstoffilters, ventilators, droognetten met hennepresten, transformatoren en plantenpotten aangetroffen. Volgens de voorzieningenrechter is daarmee voldoende aannemelijk dat sprake kan zijn van grootschalige hennepteelt, mede omdat niet is weersproken dat met deze voorwerpen een hennepkwekerij kan worden opgezet met ruim 300 planten. Daarmee is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet. Dat de hennepkwekerij tien jaar geleden in gebruik was, zoals de eigenaar van het pand had verklaard, acht de voorzieningenrechter niet aannemelijk. De verbalisanten hadden namelijk nog groene hennepresten aangetroffen en een sterke hennepgeur geconstateerd. De sluiting van de woning voor drie maanden bleef dan ook in stand.

Uitspraak van 17 juni 2019

Bij een controle in een schuur in Waalwijk werd een afgezonderde ruimte aangetroffen met daarin een viertal voorwerpen die veelal in hennepkwekerijen worden gebruikt: een schakelbord, een slakkenhuis, een koolstoffilter en zwart folie met hennepresten. Ook werd een hennepgeur geconstateerd. Daarnaast was gefraudeerd met de elektriciteitsmeter.

De voorzieningenrechter twijfelt er niet aan dat de voorwerpen te maken hadden met hennepteelt. Wel heeft de voorzieningenrechter ernstige twijfels bij de bevoegdheid van de burgemeester om tot sluiting over te gaan. De aangetroffen ruimte was namelijk erg klein en er konden maximaal 30 tot 50 planten staan. Ook waren slechts een paar zaken aangetroffen die voor het opzetten van een hennepkwekerij benodigd waren. De voorzieningenrechter oordeelt daarom dat de burgemeester onvoldoende heeft onderbouwd dat de hennepkwekerij bedrijfsmatig of professioneel zou zijn. De sluiting van het erf voor drie maanden is dan ook door de voorzieningenrechter geschorst.

Uitspraken van 7 juni 2019 en 23 september 2019

In een tuincentrum in Waalwijk werden verschillende voorwerpen aangetroffen, waaronder zwarte tenten, assimilatielampen, kachels, zwarte merkloze sporttassen, droognetten en stekbakjes. Volgens de burgemeester waren deze voorwerpen bestemd voor de grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. Hij gelastte daarom de sluiting van het tuincentrum voor de duur van twaalf maanden.

In de uitspraak van 7 juni 2019 oordeelt de voorzieningenrechter dat de burgemeester niet heeft aangetoond dat de verkopers van het tuincentrum het ernstige vermoeden hadden moeten hebben dat de voorwerpen die zij in de winkel verkochten, bestemd waren voor het opzetten van grootschalige, bedrijfsmatige hennepkwekerijen. De burgemeester was daarom niet bevoegd om op grond van artikel 13b van de Opiumwet een sluiting te bevelen, aldus de voorzieningenrechter.

De burgemeester hield toch vast aan de sluiting. Na het nemen van de beslissing op bezwaar komt de zaak nogmaals bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De voorzieningenrechter komt ditmaal tot een andere conclusie. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de last onder bestuursdwang is opgelegd aan het tuincentrum. De vraag is daarom niet of bij de verkopers, maar bij de bestuurders van dit bedrijf het ernstige vermoeden aanwezig was dat de voorwerpen in de winkel bestemd waren voor het opzetten van een grootschalige of bedrijfsmatige hennepkwekerij. Dat was volgens de voorzieningenrechter het geval, omdat de bestuurders van het tuincentrum al in 2015 in aanraking waren gekomen met justitie vanwege de hoeveelheid, aard en onderlinge combinatie van de goederen die zij in hun tuincentrum verkochten. Toen werden er al goederen in beslag genomen vanwege het vermoeden dat de goederen bestemd waren voor de beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. Verder waren er in het tuincentrum enkele voorwerpen aanwezig die bij uitstek gebruikt worden bij hennepteelt, zoals koolstoffilters en een slakkenhuisventilator met zogenoemde softbox. De bestuurders hebben ter zitting geen aannemelijke verklaringen afgelegd over de aanwezigheid van deze voorwerpen. De voorzieningenrechter concludeert daarom ditmaal wel dat aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 13b van de Opiumwet is voldaan.

 

Betekenis voor de praktijk

Uit de uitspraken blijkt dat, als er geen handelshoeveelheid drugs is aangetroffen, het nog niet zo eenvoudig is om tot sluiting over te kunnen gaan op basis van de vondst van voorwerpen en stoffen. Waar het om softdrugs gaat, moet de burgemeester onderbouwen dat de voorwerpen of stoffen bestemd waren voor een grootschalige dan wel bedrijfsmatige hennepkwekerij. Ook moet de burgemeester kunnen onderbouwen dat de betrokkenen wisten of ernstige reden hadden om te vermoeden dat de voorwerpen of stoffen bestemd waren voor de productie van harddrugs of voor grootschalige of bedrijfsmatige hennepteelt. De feitelijke situatie en de achtergrond van de betrokkenen zijn in dit verband bepalend. Denk hierbij bijvoorbeeld aan het feit dat de betrokkene eerder in aanraking is geweest met politie of justitie vanwege de productie of handel in drugs.

Voordat de burgemeester de nieuwe sluitingsbevoegdheid kan inzetten, zal hij zich dus moeten verdiepen in de betrokkenen. Dit speelde geen rol bij de toepassing van de oude bepaling. Het enkele feit dat een bepaalde hoeveelheid drugs is aangetroffen maakt de burgemeester immers reeds bevoegd. Zo eenvoudig ligt het dus niet als de burgemeester tot sluiting wil overgaan na de vondst van ‘verdachte’ voorwerpen of stoffen.

Het is nog even wachten op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State die de reikwijdte van artikel 13b van de Opiumwet wellicht verder zal inkaderen. Het team Openbare orde en ondermijning van Pels Rijcken zal deze ontwikkelingen nauwgezet blijven volgen.

Wilt u sparren of brainstormen over de (bestuurlijke) aanpak van ondermijnende activiteiten in uw regio? Of over een (dreigende) verstoring van de openbare orde? Speciaal voor overheden heeft Pels Rijcken de helpdesk Openbare orde en Ondermijning: 070 515 34 76.

Bronnen

Share This