De hervorming van de zorg is geregeld in vier wetten: de Wmo 2015, Jeugdwet, Zorgverzekeringswet en Wet langdurige zorg. Hoe wordt bepaald welke ondersteuning of zorg onder welke wet valt? In principe bepaalt de aard van de hulpvraag welke wet van toepassing is. De Wmo 2015 en de Jeugdwet zijn van toepassing als sprake is van behoefte aan ondersteuning bij het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie of opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De Zorgverzekeringswet ziet op geneeskundige zorg. Soms is sprake van een hulpvraag die zowel ziet op ondersteuning als op geneeskundige zorg. In die gevallen kan discussie ontstaan over de afbakening van de verschillende wetten. Een dergelijke discussie bestaat ook over het vergoeden van de kosten voor een PTSS-, epilepsie- of autismehulphond.

De populariteit van hulphonden stijgt. Hulphonden worden voor een toenemend aantal beperkingen ingezet. De kosten voor een blindengeleidehond, de signaalhond voor mensen die doof zijn en de ADL-hond voor mensen met een ernstige stoornis in het bewegingssysteem die daardoor beperkt worden in hun activiteiten in het dagelijks leven worden als hulpmiddelenzorg vergoed vanuit de basisverzekering (Zorgverzekeringswet).

Maar hulphonden worden ook ingezet voor bijvoorbeeld ondersteuning van volwassenen of kinderen bij een Posttraumatische Stress Stoornis (PTSS), epilepsie of autisme. Deze kosten worden niet vergoed vanuit de basisverzekering. In drie uitspraken ga ik in op de vraag of de kosten onder de Wmo 2015 en de Jeugdwet voor vergoeding in aanmerking komen.

CRvB: Wmo 2015 niet van toepassing op PTSS-hulphond, maar kán dat wel zijn

De CRvB oordeelde in september 2018 in het kader van de Wmo 2015 dat de gemeente de aanvraag om vergoeding van de kosten van de opleiding tot een hulphond voor ondersteuning bij PTSS terecht heeft afgewezen. De aanvrager betoogde dat zij met een PTSS-hulphond weer zelfstandig in haar appartement kon wonen. Volgens het college is de toegevoegde waarde van een PTSS-hulphond – voor zover die zou zijn gelegen in het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie – onvoldoende gebleken. Ook is volgens het college onvoldoende medisch wetenschappelijk onderzoek gedaan naar de werking en de effectiviteit van een PTSS-hulphond. De CRvB oordeelt dat het college onder deze omstandigheden de aanvraag terecht heeft afgewezen. Volgens de CRvB laat dit onverlet dat een ander college wel tot verstrekking van een (opleiding tot) PTSS-hulphond kan overgaan als dat in een individuele situatie als het meest passend wordt ervaren. De rechtbank Rotterdam komt in een recente uitspraak en onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB tot de conclusie dat de vergoeding van de opleidingskosten van een PTSS-hulphond terecht is afgewezen nu de hulphond voor minder dan 50% bijdraagt aan het vergroten van de zelfredzaamheid en participatie.

Bronnen: CRvB 12 september 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2785 en Rb Rotterdam 17 mei 2019, ECLI:NL:RBROT:2019:4083

Rechtbank Oost-Brabant: PTSS-hulphond valt niet onder de Wmo 2015

De rechtbank Oost-Brabant heeft in januari 2019 een uitspraak gewezen waarin zij een iets andere koers lijkt te varen dan de CRvB. De rechtbank komt tot het oordeel dat een PTSS-hulphond niet als maatwerkvoorziening in het kader van de Wmo 2015 kan worden aangemerkt. De beoogde doelen van de hond zijn volgens de rechtbank primair gericht op de behandeling van de stoornissen (angst- en paniekaanvallen) en hebben daarmee een therapeutische functie. Deze therapeutische functie heeft volgens de rechtbank (bij positief effect) weliswaar mede tot gevolg dat het de zelfredzaamheid en de participatie van eiser zal bevorderen, maar dit is slechts een secundair gevolg. Behandeling van stoornissen valt volgens de rechtbank niet onder de reikwijdte van de Wmo 2015. Impliciet oordeelt de rechtbank daarmee dat de hulphond door deze doelstelling onder de Zorgverzekeringswet valt en niet onder de Wmo 2015.

Bron: Rb Oost-Brabant 30 januari 2019, ECLI:NL:RBOBR:2019:478

Rechtbank Gelderland: Zorgverzekeringswet voorliggend op de Jeugdwet

De rechtbank Gelderland heeft een uitspraak gedaan over de aanvraag tot vergoeding van de opleiding van een (autisme)hulphond onder de Jeugdwet ten behoeve van een minderjarig kind. Het college heeft die aanvraag afgewezen. Volgens de rechtbank is een hulphond voor een minderjarig kind met een autisme spectrum stoornis er primair op gericht om het kind in het dagelijks leven binnen- en buitenshuis te ondersteunen in zijn functiebeperking. Naar het oordeel van de rechtbank moet deze hulphond, en hiermee ook de opleiding daarvan, worden gezien als een hulpmiddel onder de Zorgverzekeringswet. De Zorgverzekeringswet is voorliggend op de Jeugdwet zodat geen ruimte is tot verstrekking van een voorziening voor de autismehulphond op basis van de Jeugdwet. De rechtbank overweegt nog dat een autismehulphond (nog) niet in het basispakket van de Zorgverzekeringswet valt, maar dat dat niet tot een ander oordeel leidt omdat alle hulpmiddelenzorg onder de reikwijdte van de Zvw valt en het aan de wetgever is om te bepalen welke hulpmiddelen voor vergoeding in aanmerking komen.

Bron: Rb Gelderland 22 januari 2019, ECLI:NL:RBGEL:2019:217

Beoordeling op basis van individuele gevallen

Uit de verschillende uitspraken kan worden afgeleid dat op basis van de hulpvraag en de aard van de voorziening wordt beoordeeld welk wettelijk regime van toepassing is (Wmo 2015, Jeugdwet of Zorgverzekeringswet). De CRvB lijkt de deur voor het vergoeden van een PTSS-hulphond onder de Wmo 2015 niet dicht te gooien. Als aangetoond wordt dat de hulphond voldoende kan ondersteunen in de zelfredzaamheid en participatie en uit medisch wetenschappelijk onderzoek blijkt dat de PTSS-hulphond positieve werking heeft dan staat de deur naar de Wmo 2015 open. De rechtbank Oost-Brabant legt de nadruk op de therapeutische functie van de PTSS-hulphond en oordeelt impliciet dat de hulphond onder de Zorgverzekeringswet valt en daarmee niet onder de Wmo 2015. De rechtbank Gelderland oordeelt in een uitspraak over een autismehulphond onder de Jeugdwet vergelijkbaar, maar voegt daar nog aan toe dat de hulphond een voorliggende voorziening is.

Gemeenten die aanvragen onder de Wmo 2015 of Jeugdwet krijgen voor de (opleiding van een) PTSS- of autismehulphond doen er verstandig aan om in het concrete geval te beoordelen in hoeverre de hulphond ondersteunt bij het wegnemen van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie of opgroei- en opvoedingsproblemen en wat de stand is van (wetenschappelijk) onderzoek naar de werking en de effectiviteit van de PTSS-, epilepsie- of autismehulphond. Als die ondersteuning onvoldoende is kan de aanvraag in beginsel op grond van de Wmo 2015 of de Jeugdwet worden afgewezen.

Bronnen

Share This