De Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) is sinds 25 mei 2018 van toepassing, maar nog steeds worden er veel uitspraken gewezen over besluiten die op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp), de voorganger van de AVG, zijn genomen, zoals besluiten op correctieverzoeken op grond van artikel 36 van de Wbp.

Wat houdt het correctierecht in en hoe wordt het in de (bestuursrechtelijke) praktijk ingezet? Wat zijn de mogelijkheden en onmogelijkheden ervan? En is dat onder de AVG anders? Bij deze vragen sta ik in dit blog stil, mede aan de hand van twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Het correctierecht van artikel 36 Wbp in de (bestuursrechtelijke) praktijk

Iemand van wie persoonsgegevens worden verwerkt kan vragen om correctie daarvan als hij of zij meent dat die persoonsgegevens feitelijk onjuist zijn. In de praktijk wordt regelmatig een beroep op het correctierecht gedaan als iemand het niet eens is met (een deel van) de inhoud van stukken die (mede) over hem of haar gaan. Soms gaat het daarbij inderdaad om feitelijke onjuistheden, zoals namen die niet juist zijn, of adressen die niet kloppen. In de (bestuursrechtelijke) praktijk lijkt het correctierecht echter vaak – of misschien zelfs wel: vaker – te worden ingezet om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies in (bestuursrechtelijke) documenten waarmee de betrokkene het niet eens is, te corrigeren. Daarvoor is het correctierecht echter niet bedoeld. Soms is het evident dat van een indruk of mening sprake is. Soms is dat minder het geval. Twee voorbeelden uit de rechtspraktijk.

Praktijkvoorbeeld 1: correctieverzoek van gegevens in bibob-advies

In de zaak die aanleiding heeft gegeven tot de uitspraak van de ABRvS van 20 februari 2019 hadden twee appellanten de burgemeester van Veldhoven gevraagd om een aantal gegevens uit een eerder opgemaakt bibob-advies te corrigeren. Die gegevens zagen op de inschatting van het gevaar dat een door hen aangevraagde drank- en horecawetvergunning mede zou worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten als bedoeld in de Wet Bibob. De Afdeling maakte hier (net als de rechtbank) korte metten mee en overwoog als volgt:

“7.2. Zoals de rechtbank terecht, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Afdeling, heeft overwogen is het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. (…)

7.3. De gegevens waar het verzoek van [appellanten] op ziet, zijn gegevens die zijn opgenomen in een bibob-advies en derhalve betrokken bij een inschatting van het gevaar dat een door hen aangevraagde drank- en horecawetvergunning mede zal worden gebruikt om strafbare feiten te plegen of om uit gepleegde strafbare feiten verkregen of te verkrijgen voordelen te benutten als bedoeld in de Wet Bibob. Deze inschatting vormt een advies van de opstellers aan het voor verlening van de aangevraagde vergunning bevoegde bestuursorgaan en bevat derhalve geen feitelijke gegevens waarop het correctierecht betrekking heeft. De rechtbank heeft terecht overwogen dat indien [appellanten] van mening zijn dat het advies is gebaseerd op onjuiste gegevens, dit in de procedure over de drank- en horecawetvergunning aan de orde had kunnen worden gesteld.” (onderstreping toegevoegd)

De appellanten kregen dus in twee instanties nul op het rekest. 

Praktijkvoorbeeld 2: correctie van gegevens in aan Uwv uitgebracht advies

Een tweede uitspraak is die van de ABRvS van 25 juli 2018 over een geschil van appellante met het Uwv. Waar ging het om? De appellante meende dat het rapport van een verzekeringsarts, dat was opgenomen in een systeem van het Uwv, een onjuistheid bevatte en zij verzocht het Uwv om correctie daarvan. De bewuste passage:

“Belanghebbende heeft pijn in de handen en zij heeft het idee dat het hoofd aan de linkerzijde rond het oor opzwelt. Belanghebbende heeft in het linkeroor minder gehoor. Belanghebbende heeft pijn in de nek die uitstraalt naar het linker schouderblad en er is pijn in de rechter onderrug die uitstraalt naar het rechterbeen tot aan de teen toe soms.”

Appellante ontkent dat zij heeft verklaard dat zij “pijn in de handen” heeft. Is dit iets dat zich leent voor correctie? De rechtbank Midden-Nederland meende van niet. De Afdeling dacht daar echter anders over en overwoog dat:

“6.2. Zoals de rechtbank terecht onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 16 februari 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BP4759), heeft overwogen is het in artikel 36, eerste lid, van de Wbp geregelde correctierecht niet bedoeld om indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies waarmee betrokkene zich niet kan verenigen, te corrigeren of te verwijderen. Uit de uitspraak van de Afdeling van 31 augustus 2011 (ECLI:NL:RVS:2011:BR6338) volgt dat het correctierecht slechts kan worden uitgeoefend voor zover het gaat om feitelijke gegevens en dat de weergave van een door betrokkene afgelegde verklaring, anders dan de rechtbank heeft overwogen, een dergelijk gegeven is.” (onderstreping toegevoegd)

De appellante moest nog wel aannemelijk maken dat de weergave van wat zij had verklaard inderdaad onjuist was. Daarin slaagde zij. Het Uwv had in het verzoek van appellante wat betreft de vermelding van “pijn in de handen” dus aanleiding moeten zien voor correctie overeenkomstig artikel 36 van de Wbp.

Uiteindelijk kwam het overigens niet daadwerkelijk tot correctie, omdat het onmogelijk bleek om documenten te wijzigen in het systeem van het Uwv, waarin ook het betreffende rapport van de verzekeringsarts was opgenomen. Er was, zo oordeelde de Afdeling, sprake van een situatie als bedoeld in artikel 36 lid 4 Wbp:

“Indien de persoonsgegevens zijn vastgelegd op een gegevensdrager waarin geen wijzigingen kunnen worden aangebracht, dan treft hij de voorzieningen die nodig zijn om de gebruiker van de gegevens te informeren over de onmogelijkheid van verbetering, aanvulling, verwijdering of afscherming ondanks het feit dat er grond is voor aanpassing van de gegevens op grond van dit artikel.”

De Afdeling stelde nog vast dat het Uwv in het geheel geen poging had gedaan om de gebruiker over de onjuistheid te informeren.

Het correctierecht onder de AVG

Er is nog weinig rechtspraak over het equivalente ‘recht op rectificatie’ van artikel 16 AVG. Hoewel in artikel 16 AVG – anders dan in artikel 36 Wbp – niet wordt gesproken over ‘feitelijk onjuist’, maar over ‘onjuist’, ligt het mijns inziens niet voor de hand dat in het vervolg ook indrukken, meningen, onderzoeksresultaten en conclusies in (bestuurlijke) documenten met een beroep op artikel 16 AVG zullen kunnen worden gecorrigeerd.

Artikel 16 AVG bevat overigens geen regeling voor de situatie dat in een gegevensdrager geen wijzigingen kunnen worden aangebracht. Dat is jammer, want het komt – zo volgt ook al wel uit de hiervoor beschreven uitspraak – in de praktijk voor dat gegevensdragers niet gewijzigd kunnen worden. Dat speelt evident bij de blockchain, die juist is gebaseerd op het uitgangspunt dat er niets kan worden gewijzigd. Lees meer over dit onderwerp in onze Whitepaper Juridische aspecten van blockchain.

Bronnen:

 

Share This