De namen van toezichthouders en inspecteurs die inspecties hebben afgelegd op grond van het Besluit risico’s zware ongevallen hoeven niet openbaar te worden gemaakt. Dat volgt uit twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van 4 april 2018. De Afdeling sluit voor dat oordeel aan bij haar uitspraak van 31 januari 2018, waarin zij heeft gepreciseerd dat de namen van medewerkers van bestuursorganen in beginsel niet voor openbaarmaking in aanmerking komen. De eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer (artikel 10, tweede lid, onder e, Wet openbaarheid van bestuur; Wob) staat daaraan in de weg.

In deze blog licht ik de uitspraken van de Afdeling over toezichthouders en inspecteurs toe.

Achtergrond: Wob-verzoek over toezicht op Chemie-Pack

Een aantal bedrijven dat betrokken is bij juridische procedures over de brand bij Chemie-Pack in 2011 verzocht het college van B&W van Moerdijk (college) en het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant (dagelijks bestuur) om informatie openbaar te maken over bij Chemie-Pack afgelegde inspectiebezoeken. Deze inspectiebezoeken waren afgelegd door toezichthouders en inspecteurs van onder meer de Gemeente Moerdijk, de Veiligheidsregio Midden- en West-Brabant en de Inspectie SZW op grond het Besluit risico’s zware ongevallen 1999 (oud; thans Besluit risico’s zware ongevallen 2015).

Zowel het college als het dagelijks bestuur hebben de gevraagde informatie openbaar gemaakt, met uitzondering van de namen van bij de inspecties betrokken toezichthouders en inspecteurs (en van contactpersonen en behandelend medewerkers van de gemeente en Veiligheidsregio). Daaraan was ten grondslag gelegd dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze medewerkers in de weg staat aan openbaarmaking (artikel 10, tweede lid, onder e, Wob). De functieaanduidingen van de betreffende medewerkers zijn wel openbaar gemaakt.

De Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde dat het college en het dagelijks bestuur ten onrechte het belang van eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer hadden laten prevaleren boven het belang van openbaarmaking. De rechtbank overwoog dat niet was gebleken dat openbaarmaking tot persoonlijke veiligheidsrisico’s voor de betrokken medewerkers zou leiden. Verder zou ten onrechte geen rekening zijn gehouden met factoren als het tijdsverloop sinds de brand, de plek waar de medewerkers thans werkzaam zijn en mogelijke pensionering.

De uitspraken van de Afdeling

De Afdeling oordeelt anders. Zij concludeert dat het college en het dagelijks bestuur terecht de namen van toezichthouders en inspecteurs (en van andere bij de inspecties betrokken medewerkers) niet openbaar hebben gemaakt. De Afdeling sluit voor dat oordeel aan bij de in een uitspraak van 31 januari 2018 gekozen lijn dat namen van medewerkers van bestuursorganen, die niet wegens hun functie in de openbaarheid treden, in de regel niet voor openbaarmaking in aanmerking komen. Dit is slechts anders als de indiener van een Wob-verzoek aannemelijk maakt dat het belang van openbaarheid in een concreet geval zwaarder moet wegen (zie ABRvS 31 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:321 en het blogbericht dat ik daarover schreef).

Met de uitspraken van 4 april jl. bevestigt de Afdeling dat deze lijn ook geldt voor (BRZO-)toezichthouders en -inspecteurs. Anders dan de verzoekers in deze zaak betoogden, treden deze medewerkers niet uit hoofde van hun functie in de openbaarheid. Dat de betreffende toezichthouders en inspecteurs zich in de openbare ruimte begeven door bij BRZO-bedrijven langs te gaan, betekent niet dat zij uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. De Afdeling wijst voor die conclusie naar een zaak uit 2010, waarin zij oordeelde dat de namen van bij een demonstratie betrokken politieambtenaren – die zich in de openbare ruimte begaven – niet openbaar hoefden te worden gemaakt (zie ABRvS 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4235).

De verzoekers in deze zaak slaagden er verder ook niet in aannemelijk te maken dat het voor de controle van op Chemie-Pack gehouden toezicht nodig is dat de namen van de toezichthouders en inspecteurs openbaar zijn.

Conclusie

Deze uitspraken laten zien hoe de Afdeling in een concreet geval – te weten ten aanzien van BZRO-toezichthouders en -inspecteurs – de nieuwe lijn met betrekking tot namen van ambtenaren toepast. Duidelijk wordt dat medewerkers van bestuursorganen die werkzaamheden verrichten buiten de muren van een bestuursorgaan, zoals toezichthouders en inspecteurs, daarmee niet meteen uit hoofde van hun functie in de openbaarheid treden. Van uit hoofde van de functie in de openbaarheid treden is (in ieder geval) wel sprake bij meer publieke functies, zoals bestuurders (ABRvS 17 november 2010), persvoorlichters (ABRvS 12 augustus 2009) en bij klachtbehandeling betrokken medewerkers die bij openbare zittingen van een klachtcommissie aanwezig zijn (ABRvS 11 januari 2017).

Bronnen

Zie ook mijn eerdere blogbericht: Openbaar maken van namen en persoonlijke beleidsopvattingen; de Afdeling verheldert haar rechtspraak.

Share This