De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft op 10 december 2018 vier belangrijke uitspraken gedaan die betrekking hebben op normtijden voor huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo 2015. Volgens de CRvB is het onderzoek dat KPMG Plexus en Bureau HHM (KPMG) in opdracht van de gemeente Utrecht hebben uitgevoerd deugdelijk. Het onderzoek voldoet volgens de CRvB aan de eisen die daaraan in de rechtspraak zijn gesteld. De resultaten van dit onderzoek kunnen door gemeenten met andere beleidsuitgangspunten evenwel niet één op één worden overgenomen.

In zaken van de gemeenten Nijkerk en Bodegraven-Reeuwijk ligt de vraag voor of het onderzoek dat KPMG heeft uitgevoerd deugdelijk is. Ook is in de zaak van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk de onafhankelijkheid van KPMG Plexus en Bureau HHM ter discussie gesteld. Verder is de vraag of de gemeenten Nijkerk en Bodegraven-Reeuwijk de onderzoeksresultaten aan hun beleid ten grondslag konden leggen nu hun normtijden iets afwijken van de uitgangspunten uit het KPMG-rapport.

Wat aan de uitspraken vooraf ging

Op 18 mei 2016 heeft de CRvB de eerste uitspraken gedaan over huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo 2015. De CRvB heeft in twee zaken over het beleid van de gemeente Utrecht geoordeeld  dat een maatwerkvoorziening in de vorm van een basismodule en aanvullende modules is toegestaan. Het aantal uren huishoudelijke hulp in de standaardmodules moet dan gebaseerd zijn op objectieve criteria voortkomend uit deugdelijk onderzoek verricht door onafhankelijke derden. Naar aanleiding van deze uitspraken heeft de gemeente Utrecht aan KPMG de opdracht gegeven om een objectief en onafhankelijk onderzoek te doen naar de standaardmodule van 78 uur per jaar huishoudelijke ondersteuning. KPMG concludeert dat een standaardmodule van 104,9 uur per jaar huishoudelijke ondersteuning nodig is om basis hygiëne te borgen. Hierbij worden vervuiling van het huis en gezondheidsrisico’s voor bewoners voorkomen. In individuele situaties moet de gemeente volgens KPMG op maat aanvullende ondersteuning inzetten als dat in een individueel geval noodzakelijk is.

De gemeenten Bodegraven en Nijkerk hebben de normtijden voor huishoudelijke ondersteuning onderbouwd door te verwijzen naar de onderzoeksresultaten van KPMG. Anders dan het beleid van de gemeente Utrecht gaat het beleid van de gemeenten Nijkerk en Bodegraven-Reeuwijk niet uit van standaardmodules en aanvullende modules en wijken de normtijden op punten af van het KPMG-onderzoek.

Er is sprake van een deugdelijk onderzoek

De eerste vraag is of het KPMG-onderzoek deugdelijk is. De CRvB beantwoordt die vraag bevestigend. Volgens de CRvB is het KPMG-onderzoek deugdelijk en is KPMG een onafhankelijke partij. Het onderzoek is gedaan door een onafhankelijke partij, die geen belang had bij de uitkomst van dat onderzoek. Ook voldoet het onderzoek aan de eisen die daaraan in eerdere rechtspraak van de CRvB zijn gesteld. De CRvB stelt wel vast dat in het KPMG‑rapport wordt onderkend dat in sommige situaties aanvullend maatwerk noodzakelijk is, bijvoorbeeld wanneer iemand geen huishoudelijke taken kan verrichten, geen ondersteuning van derden heeft en onvoldoende compenserende werking uitgaat van beïnvloedingsfactoren uit het KPMG-rapport, zoals de grootte van de woning en de samenstelling van de leefeenheid. De CRvB benadrukt dat sprake moet zijn van maatwerk en dat de voorziening in het individuele geval moet worden afgestemd op de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de cliënt. Als blijkt dat toepassing van de urennorm niet leidt tot een passende bijdrage in de zelfredzaamheid en participatie, dan moet het college volgens de CRvB van de urennorm afwijken. Bovendien moet het college meer uren verstrekken als het onderzoek uitwijst dat zich bijzondere omstandigheden voordoen waarmee in de urennorm geen of onvoldoende rekening is gehouden, zoals een medische noodzaak om een hoger niveau van hygiëne of schoonhouden te realiseren, zo overweegt de CRvB.

De onderzoeksresultaten kunnen niet één op één worden overgenomen

Vervolgens is de vraag of andere gemeenten die (iets) ander beleid hanteren de onderzoeksresultaten van KPMG aan hun normtijden voor huishoudelijke ondersteuning ten grondslag kunnen leggen. Volgens de CRvB is dat niet het geval.

De gemeente Nijkerk hanteert een ruimere urennorm voor huishoudelijke ondersteuning dan de onderzochte norm van 105 uur per jaar van de gemeente Utrecht. Ook ziet het beleid op andere schoonmaakactiviteiten zoals opruimen en afwassen terwijl de Utrechtse urennorm en het KPMG-rapport daar niet in voorziet. Volgens de CRvB is daarom geen sprake van een ‘verwaarloosbare afwijking’. De gemeente Bodegraven-Reeuwijk heeft, anders dan de gemeente Utrecht, geen indirecte tijd in de normering verdisconteerd en houdt rekening met de omvang van de woning. Hierdoor worden volgens de CRvB belangrijke uitgangspunten van het KPMG-rapport losgelaten.

De CRvB komt in beide gevallen tot de conclusie dat de gemeenten hun normtijden niet kunnen onderbouwen door het KPMG-rapport. De normtijden berusten daarmee niet op onafhankelijk en deugdelijk onderzoek. In de zaak van de gemeente Bodegraven-Reeuwijk voorziet de CRvB zelf in de zaak door aansluiting te zoek bij de laatste niet meer in geschil zijnde indicatie. In de zaak van de gemeente Nijkerk bevestigt de CRvB dat de rechtbank terecht zelf in de zaak heeft voorzien.

Consequenties van de uitspraken in een notendop

Gemeenten kunnen de onderzoekresultaten van KPMG niet één op één overnemen. Uit de uitspraken volgt in ieder geval dat gemeenten hun normtijden alleen met het KPMG-rapport kunnen onderbouwen, als de belangrijkste uitgangspunten uit dat rapport ook worden overgenomen. Zo moet bijvoorbeeld worden uitgegaan van dezelfde schoonmaakactiviteiten en moet rekening worden gehouden met de indirecte tijd.

Ook als gemeenten het KPMG-rapport aan hun beleid ten grondslag kunnen leggen, ontslaat dat gemeenten niet van de plicht om in het individuele geval maatwerk te leveren. In het individuele geval moet worden getoetst of de ‘standaard’ normtijden voor de desbetreffende cliënt inderdaad voldoende passend zijn. Als dit niet zo is moeten de standaard normtijden opwaarts worden aangepast.

Bron: CRvB 10 december 2018

Share This