De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 31 januari 2018 twee belangrijke uitspraken gedaan over de vraag of wetenschappelijke onderzoeksgegevens onder de reikwijdte van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) vallen. In de Wob is bepaald dat kan worden verzocht om informatie over een bestuurlijke aangelegenheid. De Afdeling overweegt dat in deze zaken de onderzoeksgegevens geen bestuurlijke aangelegenheid betreffen. Dit betekent dat de Wob niet van toepassing is. Maar betekenen deze uitspraken ook dat onderzoeksgegevens categorisch worden uitgezonderd van de werking van de Wob?

De zaken

In de eerste zaak kreeg het College van Bestuur van de Universiteit Leiden het verzoek om alle documenten die betrekking hebben op een door onderzoekers van die universiteit opgesteld rapport over etnisch profileren openbaar te maken.

In de tweede zaak werd de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) verzocht alle documenten over onderzoek naar online en offline veiligheid (het onderzoek ‘NL-Online/Offline’) openbaar te maken. Dat onderzoek is uitgevoerd door onderzoekers van de Vrije Universiteit en het Nederlands Studiecentrum Criminaliteit en Rechtshandhaving (NSCR).

De Universiteit Leiden en NWO hebben in reactie op deze verzoeken (een groot aantal) documenten openbaar gemaakt, maar ten aanzien van de (uit waarnemingen, interviews en ingevulde vragenlijsten verkregen) onderzoeksgegevens stellen zij dat de Wob niet van toepassing is. Voor dat standpunt wordt steun gevonden in de wetsgeschiedenis bij de Wob (Kamerstukken II 1986/87, 19 859, nr. 3, p. 25):

“De informatie waarom wordt gevraagd, moet van bestuurlijke aard zijn. Dit is niet het geval indien het verzoek het te leen vragen van boeken uit de bibliotheek betreft of het vragen van inlichtingen over wetenschappelijke onderwerpen aan researchinstituten. In deze gevallen is er geen sprake van bestuurlijke aangelegenheden in de zin van de WOB, ook niet als de betrokken instellingen werkzaam zijn onder verantwoordelijkheid van overheidsorganen.”

In beide zaken werd beroep ingesteld bij de rechtbank Amsterdam. De uitspraken zijn niet op rechtspraak.nl gepubliceerd.

Wat oordeelt de rechtbank?

In de NWO-zaak overweegt de rechtbank dat het enkele feit dat om wetenschappelijke onderzoeksgegevens is verzocht, nog niet maakt dat geen sprake is van een bestuurlijke aangelegenheid. De onderzoeksgegevens dienen volgens de rechtbank in een breder verband te worden beschouwd. Vervolgens overweegt de rechtbank dat onderzoeksgegevens geen betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid totdat naar aanleiding van die gegevens een publicatie is uitgebracht: voorafgaand aan publicatie behoren de onderzoeksgegevens tot het domein van de individuele onderzoeker en dienen deze gegevens buiten het publieke domein te blijven. Na publicatie verbindt NWO zich volgens de rechtbank aan de uitkomsten van het wetenschappelijk onderzoek (‘de publicatie-knip’).

Opvallend is dat de rechtbank in de Universiteit Leiden-zaak niet aansluit bij de ‘publicatie-knip’. De rechtbank overweegt dat het begrip ‘bestuurlijk’, gelet op het doel van de Wob, ziet op het openbaar bestuur in al zijn facetten. Dat begrip dient ruim te worden uitgelegd. In dat kader acht de rechtbank van belang dat het onderzoek naar etnisch profileren is uitgevoerd in samenwerking met de politie-eenheid Den Haag (met die eenheid werden in het kader van het onderzoek diensten meegedraaid). Bovendien wordt van belang gevonden dat het uiteindelijk opstelde rapport informatie bevat over het beleid en de taakuitoefening van de politie. Gelet hierop is volgens de rechtbank sprake van een bestuurlijke context.

De uitspraken van de Afdeling

In hoger beroep overweegt de Afdeling allereerst – net als de rechtbank Amsterdam – dat het begrip ‘bestuurlijk’ ruim moet worden uitgelegd. Vervolgens wordt overwogen dat de onderzoeksgegevens tot stand zijn gekomen bij de uitvoering van een onderzoek door aan de NSCR respectievelijk de Universiteit Leiden verbonden onderzoekers in het kader van de wetenschappelijke taak van die instanties. Die gegevens zijn louter met een wetenschappelijk oogmerk tot stand gekomen en hebben geen betrekking op de bestuursvoering van de universiteit. Gelet hierop oordeelt de Afdeling dat de onderzoeksgegevens geen bestuurlijke aangelegenheid betreffen en de Wob dus niet op deze gegevens van toepassing is.

Daaraan doet – zoals door de indiener van de verzoeken was betoogd – niet af dat aan de hand van de onderzoeksgegevens (wetenschappelijke) publicaties zijn uitgebracht. Ook de omstandigheid dat de publicaties informatie bevatten die mogelijk voor de bestuursvoering van andere bestuursorganen relevant is, betekent niet dat de aan het rapport ten grondslag liggende onderzoeksgegevens zelf een bestuurlijke aangelegenheid betreffen. Dat informatie over de opzet van het onderzoek – zoals informatie over de financiering ervan – een bestuurlijke aangelegenheid betreft, maakt volgens de Afdeling evenmin dat de onderzoeksgegevens zelf een bestuurlijke aangelegenheid betreffen.

Onderzoeksgegevens nu nooit meer openbaar?

Deze uitspraken zijn belangrijk voor onderzoekers. In veel gevallen zal de Wob niet van toepassing zijn op hun onderzoeksgegevens en hoeven zij er dus niet voor te vrezen dat die gegevens op grond van die wet openbaar moeten worden gemaakt. Onderzoeksgegevens worden echter niet categorisch uitgezonderd van de werking van de Wob. Onderzoekers moeten er rekening mee houden dat als zij een onderzoek doen dat geen of een beperkt wetenschappelijk oogmerk heeft, de onderzoeksgegevens wél een bestuurlijke aangelegenheid kunnen betreffen.

Een voorbeeld daarvan is te vinden in een uitspraak van de Afdeling van 3 oktober 2007. In die zaak hebben onderzoekers van de Erasmus Universiteit Rotterdam in opdracht van de staatssecretaris van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties onderzoek gedaan naar de bestuurscultuur binnen de gemeente Edam-Volendam. De Afdeling overweegt in die zaak dat wel sprake was van een bestuurlijke aangelegenheid, omdat (i) het onderzoek is uitgevoerd in opdracht van de staatssecretaris in verband met zijn verantwoordelijkheid en (ii) het onderzoek zich richt op (het functioneren van) een overheidsinstantie.

Bronnen:

Share This