De ontwikkeling van allerhande nieuwe, innovatieve diensten die de (deel)economie ons brengt, roept veel juridische vragen op. Bijvoorbeeld over het toe te passen Unierechtelijke kader. Uber lijkt echter wel een heel bijzonder geval te zijn. Want wat is Uber? Is het een vervoersbedrijf? Of is het een elektronisch platform voor het vinden, reserveren en betalen van een door derden verrichte vervoersdienst? In een recent arrest spreekt het Hof van Justitie zich hierover uit.

Unierechtelijk kader

Indien Uber valt aan te merken als een dienst op het gebied van vervoer, valt zij onder Titel VI van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en is zij uitgezonderd van de Dienstenrichtlijn (artikel 2, lid 2, sub d) en het vrij verkeer van diensten (artikel 58, lid 1, VWEU). Is Uber daarentegen een “digitale bemiddelingsdienst”, dan zou dat betekenen dat de regulering van Uber moet worden getoetst aan de Dienstenrichtlijn dan wel de E-Commerce richtlijn. Beide richtlijnen stellen specifieke voorwaarden waaronder diensten mogen worden gereguleerd, terwijl over de regulering van (lokale) vervoersdiensten op Unieniveau nog geen specifieke regels bestaan.

Uber stelt zich op het standpunt dat zij zich beperkt tot het bij elkaar brengen van vraag en aanbod (van stedelijk vervoer). In veel landen waar Uber actief is, denkt de traditionele taxibranche daar echter anders over.

Bij arrest van 20 december 2017 heeft het Hof van Justitie deze discussie in het nadeel van Uber beslecht. Uber kwalificeert volgens het Hof als een vervoersdienst. Dat betekent dat lidstaten vrij zijn om de voorwaarden te reguleren waaronder diensten zoals Uber worden verleend, mits de voorwaarden in overeenstemming zijn met de (overige) bepalingen uit het VWEU.

Waarover moest het Hof van Justitie oordelen?

Aanleiding voor het arrest van het Hof is een geschil tussen Uber en Elita Taxi, een beroepsvereniging van taxichauffeurs in Barcelona. Elite Taxi stelt dat Uber zich schuldig maakt aan concurrentievervalsende gedragingen. Om te beoordelen of Uber zich inderdaad schuldig maakt aan oneerlijke handelspraktijken, dient volgens de Spaanse rechter te worden nagegaan of Uber over een voorafgaande administratieve vergunning dient te beschikken. In dit verband moet eerst worden vastgesteld of de diensten die Uber aanbiedt moeten worden beschouwd als ‘vervoersdiensten’, ‘diensten van de informatiemaatschappij’ of een combinatie van deze twee. Hiertoe heeft de Spaanse rechter prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie.

De kwalificatie van de activiteit van Uber

Volgens het Hof van Justitie doet Uber veel meer dan het bemiddelen en bij elkaar brengen van vraag en aanbod: zonder Uber zouden de betrokken chauffeurs hun vervoersdiensten niet (kunnen) aanbieden en zouden klanten geen gebruik maken van deze vervoersdiensten. Kortom, Uber creëert zelf het aanbod. Daarnaast heeft Uber beslissende invloed op de voorwaarden waaronder de chauffeurs hun diensten aanbieden, aangezien Uber de maximum ritprijs vaststelt en de ritprijs (rechtstreeks) bij de klant int. Ook heeft Uber een zekere controle over de kwaliteit van de voertuigen, de chauffeurs en hun gedrag.

Om die reden concludeert het Hof dat de bemiddeling van Uber in overwegende mate moet worden aangeduid als vervoersdienst. Deze classificatie brengt met zich dat (de regulering van) Uber is uitgesloten van de werkingssfeer van het vrij verkeer van diensten (artikel 56 VWEU), de Dienstenrichtlijn en de E-Commerce richtlijn. Deze regels staan dan ook niet in de weg aan voorwaarden (zoals de Spaanse vergunningsplicht) die lidstaten voor diensten als die van Uber vaststellen.

Unierecht één van de aandachtspunten bij regulering van diensten

(Decentrale) overheden worden op dit moment met veel nieuwe, innovatieve diensten geconfronteerd (denk aan bierfietsen, grootschalige introductie van deelfietsen, Airbnb, etc.). Bij regulering van dergelijke diensten, is het Unierecht één van de aandachtspunten. In dat verband zal allereerst moeten worden nagegaan of en zo ja, binnen welk Unierechtelijk kader de dienst valt. De zaak van Uber laat zien dat dat niet altijd even eenvoudig is. Vervolgens is het zaak om de door de betreffende Unieregels getrokken grenzen goed voor ogen te houden.

In Nederland is onlangs een beroep van Uber op het Europese recht door het College van Beroep voor het bedrijfsleven verworpen.

Bronnen:

Zie ook de blog van Jean-Paul Heinrich over De bierfiets : hoeveel reguleringsruimte heeft de gemeentelijke regelgever?

Share This