In de strijd tegen ondermijnende, drugsgerelateerde criminaliteit wordt door burgemeesters regelmatig gebruik gemaakt van de bevoegdheid een woning of bedrijfsruimte tijdelijk te sluiten. Deze bevoegdheid – die is neergelegd in artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet – kan worden ingezet als drugs in een pand aanwezig zijn voor verkoop, aflevering of verstrekking. Op 4 juli 2018 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de vraag centraal stond of de burgemeester – gelet op alle omstandigheden van het geval – tot sluiting van een pand heeft kunnen overgaan.

Uitgangspunt Raad van State

De Afdeling hanteert in haar rechtspraak als uitgangspunt dat bij aanwezigheid van meer dan 0,5 g harddrugs (het door het openbaar ministerie gehanteerde criterium voor eigen gebruik) de aangetroffen hoeveelheid harddrugs in beginsel – dat wil zeggen behoudens tegenbewijs – (mede) bestemd wordt geacht voor de verkoop, aflevering of verstrekking. Indien het tegendeel door de rechthebbende op het pand niet aannemelijk wordt gemaakt, wordt de burgemeester bevoegd geacht om tot sluiting van het betreffende pand over te gaan (Lees over het uitgangspunt van de Afdeling in het blog van Jules de Kort.)

Bijzondere omstandigheden

Dat de burgemeester in een bepaald geval – gelet op de hoeveelheid aangetroffen drugs – bevoegd is tot sluiting over te gaan en dat deze sluiting in overeenstemming is met het geldende handhavingsbeleid, betekent echter niet zonder meer dat de burgemeester zijn besluit tot sluiting ook in redelijkheid heeft kunnen nemen. De burgemeester moet bij het nemen van een besluit namelijk bezien of sprake is van bijzondere omstandigheden (als bedoeld in artikel 4:84 Awb) die maken dat het handelen overeenkomstig de beleidsregels – en dus het sluiten van het pand voor een bepaalde duur – gevolgen heeft die onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregels te dienen doelen.

24 kilogram cocaïne

Een sprekend voorbeeld is de hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018. In een bedrijfspand was bij een inval door de Dienst Landelijke Recherche in totaal 24 kg cocaïne aangetroffen. Dat komt neer op 48.000 keer de gebruikershoeveelheid van 0,5 g. De burgemeester zag hierin aanleiding het bedrijfspand te sluiten voor de duur van twaalf maanden. De verhuurders kwamen op tegen deze sluiting en ter zitting werden door hen de feiten en omstandigheden rond de verhuur van het pand en hun relatie met de huurder (een voormalig werknemer) van dit pand nader toegelicht. Uit deze toelichting – die door de burgemeester niet werd betwist – bleek dat zij een goede relatie met de huurder hadden en dat zij regelmatig een bezoek aan het bedrijfspand brachten. Volgens de Afdeling informeerden de verhuurders zich op deze manier actief over het gebruik dat de huurder van het bedrijfspand maakte. De Afdeling betwijfelt daarom of de verhuurders een verwijt van de overtreding van de Opiumwet kon worden gemaakt.

De Afdeling overweegt verder dat de omstandigheid dat de verhuurders de huurder na het incident direct de toegang tot het bedrijfspand hebben ontzegd en de huurovereenkomst aan hem hebben opgezegd, op zichzelf niet betekent dat een sluiting van het bedrijfspand niet langer noodzakelijk is. Een sluiting kan immers noodzakelijk zijn om de bekendheid van een pand als drugspand weg te nemen en de ‘loop’ naar een pand eruit te halen. De burgemeester kon op de zitting echter geen andere signalen voor loop naar het bedrijfspand noemen (anders dan de aangetroffen hoeveelheid harddrugs). De Afdeling overweegt dat de burgemeester in het kader van de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden niet uitsluitend kan afgaan op de hoeveelheid drugs die is aangetroffen, maar alle omstandigheden van het geval in aanmerking dient te nemen. Dus ook de omstandigheid dat er geen signalen waren van loop van leveranciers of kopers van drugs.

Alle omstandigheden in samenhang

Tegen deze achtergrond oordeelt de Afdeling in deze uitspraak dat de burgemeester er geen blijk van heeft gegeven alle omstandigheden in samenhang te hebben bezien. Een motivering waarom de omstandigheden tezamen geen bijzondere omstandigheden (als bedoeld in artikel 4:84 Awb) zijn ontbreekt volgens de Afdeling. Naar het oordeel van de Afdeling had de burgemeester in ieder geval moeten ingaan op de vraag of de verhuurders een verwijt van de overtreding kon worden gemaakt en de vraag of en zo ja in hoeverre de sluiting voor twaalf maanden noodzakelijk was. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit vernietigd en de burgemeester wordt opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak van de Afdeling.

Bottom ‘line’

Deze uitspraak van de Afdeling maakt duidelijk dat burgemeesters bij toepassing van de sluitingsbevoegdheid op grond van de Opiumwet niet uitsluitend mogen afgaan op de hoeveelheid drugs die in een pand wordt aangetroffen, óók niet als het om een groot aantal kilogram harddrugs gaat. Het is zaak alle omstandigheden van het geval in aanmerking te nemen en in het besluit goed te motiveren waarom sluiting – ook gelet op door de eigenaar aangevoerde omstandigheden – in het specifieke geval niet onevenredig is. Stop dus niet bij de constatering dat een grote hoeveelheid (hard)drugs in een pand is aangetroffen, maar kijk verder alvorens tot sluiting van een woning of bedrijfspand over te gaan.

Bron: ABRvS 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2241

Zie ook het blog van Jules de Kort van 26 maart 2018: Raad van State houdt de deur dicht: duidelijke lijn bij toepassing van artikel 13b Opiumwet blijft.

Wilt u sparren of brainstormen over de aanpak van ondermijnende activiteiten in uw regio? Of over een (dreigende) verstoring van de openbare orde? Speciaal voor overheden heeft Pels Rijcken de helpdesk Openbare orde en Ondermijning: 070 515 34 76.

Share This