In de aanpak van ondermijnende criminaliteit is de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur (Wet Bibob) een belangrijk instrument. Om de Wet Bibob nog effectiever te maken heeft het kabinet een wijziging van die wet voorgesteld. De internetconsultatie is op 6 juni 2018 gesloten. Wat zijn de vier belangrijkste wijzigingen?

Wijziging 1: relatie tot strafbare feiten

Op grond van de Wet Bibob kan een vergunning worden ingetrokken of geweigerd als ernstig gevaar bestaat dat de vergunning (mede) zal worden gebruikt voor criminele doeleinden: het benutten van uit strafbare feiten verkregen voordeel
(a-grond) of het plegen van (nieuwe) strafbare feiten (b-grond). De mate van gevaar wordt op grond van artikel 3 Wet Bibob (onder meer) vastgesteld op basis van:

“feiten en omstandigheden die erop wijzen of redelijkerwijs doen vermoeden dat de betrokkene in relatie staat tot strafbare feiten (…)” [onderstreping toegevoegd, RB]

In die bepaling wordt onderscheid gemaakt tussen feiten en omstandigheden ‘die erop wijzen’ en ‘redelijkerwijs doen vermoeden’. In het laatste geval is sprake van een vermoeden en dan moet de ernst daarvan worden vastgesteld. Thans geldt dat uitsluitend strafrechtelijke veroordelingen kwalificeren als feiten en omstandigheden ‘die erop wijzen’. In het wetsvoorstel wordt die rechtspraktijk gecodificeerd (onder a) en worden er vier categorieën (onder b-e) toegevoegd die eveneens kwalificeren als feiten en omstandigheden ‘die erop wijzen’:

a. een veroordeling wegens een strafbaar feit;
b. een onherroepelijke strafbeschikking als bedoeld in artikel 257a van het Wetboek van Strafvordering;
c. het vervallen van het recht tot strafvordering op grond van artikel 74 van het Wetboek van Strafrecht;
d. een onherroepelijke beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete;
e. een beschikking tot het opleggen van een bestuurlijke boete waartegen beroep is ingesteld, waarop de bestuursrechter in eerste aanleg uitspraak heeft gedaan.

Het voorgaande betekent dat voor die categorieën de ernst van het vermoeden niet hoeft te worden vastgesteld.

Wijziging 2: Bureau kan afzien van uitbrengen advies

Overheden dienen eerst een eigen onderzoek uit te voeren alvorens zij het Landelijk Bureau Bibob (hierna: het Bureau) kunnen vragen een advies uit te brengen over de mate van gevaar dat een vergunning wordt gebruikt voor – kortgezegd – criminele doeleinden. Hoewel een onderzoek door het Bureau diep ingrijpt in de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene, is in de Wet Bibob op dit moment niet geregeld wanneer het gerechtvaardigd is een advies aan het Bureau te vragen. In de praktijk is dit veelal onderwerp van goed overleg tussen het Bureau en overheden. De in die praktijk ontwikkelde criteria zijn in het wetsvoorstel gecodificeerd. In drie situaties kan het Bureau afzien van het uitbrengen van een advies (nieuw: artikel 9, zesde lid, Wet Bibob):

a)    de bevindingen van het eigen onderzoek en de door de betrokkene verstrekte gegevens en bescheiden zijn niet aan het Bureau overgedragen,
b)    uit deze gegevens en bescheiden blijkt dat onvoldoende gebruik is gemaakt van de mogelijkheden tot het verrichten van eigen onderzoek, of
c)    uit het eigen onderzoek onvoldoende aanwijzingen volgen dat sprake is van enig gevaar of andere relevante feiten en omstandigheden.

Wijziging 3: versterking informatiepositie eigen onderzoek

Om te voorkomen dat wel een ernstig gevaar bestaat, maar dit niet of onvoldoende uit het eigen onderzoek naar voren komt, wordt in het wetsvoorstel als derde wijziging geregeld dat de informatiepositie van overheden wordt versterkt. Zij krijgen niet alleen toegang tot de gegevens van de betrokkene (bijvoorbeeld de aanvrager of houder van een vergunning), maar ook tot de justitiële en strafvorderlijke gegevens van de zakelijke omgeving van de betrokkene. Het gaat dan om:

a)    degene die vermogen verschaffen aan de betrokkene;
b)    de op de (aanvraag voor een) vergunning vermelde leidinggevende(n) of beheerder(s);
c)    aandeelhouders van de betrokkene;

Voor deze wijziging is een aanpassing vereist van (het huidige artikel 15 van) het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens. Overigens is opvallend dat het wetsvoorstel de toegang tot justitiële en strafvorderlijke gegevens niet ook uitbreidt tot personen tot wie een betrokkene in een zakelijk samenwerkingsverband staat. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat – anders dan voor de andere categorieën geldt – niet ‘hard’ is vast te stellen welke personen tot het zakelijk samenwerkingsverband horen.

Wijziging 4: uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Bibob

De Wet Bibob is niet alleen van toepassing op vergunningen, maar ook op vastgoedtransacties, overheidsopdrachten (in drie sectoren), subsidies en ontheffingen. Het wetsvoorstel regelt de uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Bibob.

Overdracht van erfpacht

De eerste uitbreiding van het toepassingsbereik van de Wet Bibob betreft de overdracht van erfpacht. In verschillende gemeenten wordt grond in erfpacht uitgegeven (bijv. Amsterdam, Utrecht en Den Haag). Indien in de akte van vestiging is opgenomen dat de erfpachter zijn recht niet zonder toestemming van de eigenaar (de gemeente) kan overdragen (art. 5:91 BW), hebben gemeenten reeds de mogelijkheid om invloed uit te oefenen op de nieuwe erfpachter. De mogelijkheden om relevante informatie te vergaren over de beoogd verkrijger van de erfpacht zijn evenwel beperkt. Het wetsvoorstel voorziet in deze leemte. Doordat het Bibob-instrumentarium ook van toepassing wordt op de overdracht van erfpacht kan het Bureau worden verzocht een onderzoek uit te voeren en een advies uit te brengen over de beoogd verkrijger van de erfpacht – mits in de akte van vestiging het toestemmingsvereiste is neergelegd.

Overheidsopdrachten

De tweede uitbreiding van het toepassingsbereik ziet op overheidsopdrachten. In het Besluit Bibob wordt de toepassing van de Wet Bibob beperkt tot de volgende sectoren: (i) bouw, (ii) ICT en (iii) milieu. In de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel wordt erop gewezen dat werd verwacht dat vooral die sectoren kwetsbaar zouden zijn voor (ondermijnende) criminaliteit. In het wetsvoorstel wordt geregeld dat onder meer de personenvervoersector en de zorgsector wordt toegevoegd aan het toepassingsbereik van de Wet Bibob.

Afsluiting

Het wetsvoorstel biedt overheden meer mogelijkheden in de aanpak van ondermijnende criminaliteit. De versterkte informatiepositie van overheden bij het eigen onderzoek springt daarbij het meest in het oog. Overheden zullen beter in staat zelf stromanconstructies te signaleren en daarmee ondermijnende criminaliteit tegen te gaan. Deze versterkte informatiepositie heeft mogelijk ook een keerzijde. Het zou een drempel op kunnen werpen. Op dit moment willigt het Bureau een verzoek om advies uit te brengen over onduidelijkheden in de zakelijke omgeving van de betrokkene veelal in. Nu in het wetsvoorstel wordt geregeld dat overheden die informatie ook zelf kunnen achterhalen, zal de praktijk moeten uitwijzen of het Bureau hogere eisen gaat stellen aan een verzoek om advies uit te brengen. Te meer nu in het wetsvoorstel ook wordt gecodificeerd in welke situaties het Bureau dat verzoek kan afwijzen. Een dergelijke drempel zal voor veel grotere gemeenten minder snel een probleem zijn. Voor kleinere gemeente ligt dat mogelijk anders.

Het team Openbare orde en ondermijning van Pels Rijcken zal de ontwikkelingen rondom dit wetsvoorstel en andere ontwikkelingen op het gebied van ondermijnende criminaliteit nauwgezet blijven volgen.

Bron: Internetconsultatie Wijziging Wet Bibob

Share This