Onder overheidsorganisaties kunnen verschillende processtukken berusten. Zo kunnen zij als procespartij betrokken zijn (geweest) bij een civielrechtelijke of bestuursrechtelijke procedure en daarom processtukken in bezit hebben. Daarnaast kunnen overheidsorganisaties in het strafrechtelijke domein beschikken over processtukken die in een strafrechtelijke procedure aan de orde zijn (geweest). Op 1 mei 2022 treedt de Wet open overheid (Woo) in werking en vervalt de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Wat betekent dat voor processtukken die onder overheidsorganisaties berusten? Kunnen die op grond van de Woo openbaar worden gemaakt? In deze Woo update wordt ingegaan op die vragen.

De toegang tot processtukken en de Wob

Onder de Wob is het vaste rechtspraak van de Afdeling dat artikel 365, vierde en vijfde lid, Wetboek van Strafvordering (Sv) en artikel 29 Wetboek van Rechtsvordering (Rv) bijzondere uitputtende openbaarmakingsregelingen zijn die derogeren aan de Wob. In die bepalingen is, kort gezegd, geregeld dat eenieder op verzoek van de voorzitter respectievelijk de griffier het vonnis en het proces-verbaal van de zitting kan verkrijgen. Andere tot het strafdossier en civiele dossier behorende stukken worden niet verstrekt. Gevolg van de kwalificatie van deze regelingen als bijzondere openbaarmakingsregelingen is dat het volledige strafdossier en civiele dossier buiten het bereik van de Wob vallen. Zie bijvoorbeeld: ABRvS 7 juli 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN0488 (over artikel 365 Sv) en ABRvS 9 september 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2803 (over artikel 29 Rv).

Voor artikel 8:79 Awb, de bestuursrechtelijke equivalent van artikel 29 Rv en artikel 365 Sv, ligt dit genuanceerder. In artikel 8:79 Awb is bepaald dat eenieder op verzoek van de griffier de uitspraak en het proces-verbaal van de mondelinge uitspraak kan verkrijgen. Over andere processtukken wordt niets vermeld, maar in de praktijk zullen verzoeken aan de griffier om procestukken worden afgewezen. In een uitspraak van 16 augustus 2017 (ECLI:NL:RVS:2017:2180) heeft de Afdeling geoordeeld dat de Wob niet van toepassing is op ‘processtukken die de griffier niet mag verstrekken’, omdat het afbreuk zou doen aan de bedoeling van artikel 8:79 Awb als anderen dan partijen deze kunnen verkrijgen. Evenwel merkte de Afdeling op dat onder de stukken in het procesdossier zich documenten kunnen bevinden die betrekking hebben op een bestuurlijke aangelegenheid en die als zodanig op grond van de Wob kunnen worden opgevraagd.

De toegang tot processtukken en de Woo

Nieuw in de Woo is dat de bijzondere openbaarmakingsregelingen in een bijlage bij de wet zijn opgenomen, in plaats van dat rechtspraak over wat een bijzondere regeling is steeds leidend is. In artikel 8.8 Woo is bepaald dat de artikelen 3.1, 3.3, 4.1, 5.1, eerste, tweede en vijfde lid, en 5.2 Woo (kort gezegd: de bepalingen over actieve en passieve openbaarmaking en de uitzonderingen daarop) niet van toepassing zijn op informatie waarvoor een bepaling geldt die is opgenomen in de bijlage bij de wet. In die gevallen wijkt de Woo dus voor de bijzondere openbaarmakingsregeling. De wetgever heeft hiermee beoogd duidelijkheid te scheppen over de verhouding tussen de Woo en bijzondere regelingen (Kamerstukken II 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 60).

Ook de verhouding tussen de Woo en de regelingen inzake toegang tot processtukken wordt in de (bijlage bij artikel 8.8) Woo geregeld.

Voor strafrechtelijke processtukken blijft hetzelfde regime gelden. In de bijlage bij artikel 8.8 Woo is artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv opgenomen. Hieruit volgt dat de Woo niet van toepassing is op strafdossiers, net als onder de Wob het geval is.

Voor civielrechtelijke processtukken wordt het openbaarmakingsregime verruimd. In de bijlage bij artikel 8.8 Woo is artikel 29 Rv opgenomen, maar alleen voor zover de bij het bestuursorgaan berustende documenten zijn opgesteld als processtuk. Dat betekent dat stukken die zijn opgesteld als processtuk, zoals de dagvaarding of het verzoekschrift, de conclusie van antwoord en eventuele pleitnota’s, buiten het bereik van de Woo vallen. Voor andere stukken in het procesdossier zal het ervan afhangen of zij uitsluitend met het oog op de procedure zijn vervaardigd en om die reden onder het bereik van artikel 29 Rv vallen. Zo niet, dan vallen deze stukken onder de Woo. Momenteel valt het gehele civiele dossier buiten het bereik van de Wob. Dat leidt soms tot de onbevredigende situatie dat stukken die normaliter binnen de reikwijdte van de Wob vallen, enkel vanwege het feit dat ze deel uitmaken van het procesdossier aan de openbaarheid worden onttrokken. Om dat tegen te gaan is de Woo in tegenstelling tot de Wob wel van toepassing op stukken uit het procesdossier die niet specifiek voor de procedure zijn opgesteld (Kamerstukken II 2013/14, 33 328, nr. 9, p. 90-91).

Voor bestuursrechtelijke processtukken gaat hetzelfde regime gelden als voor civielrechtelijke processtukken. Artikel 8:79 Awb is uitgezonderd van het openbaarmakingsregime van de Woo, voor zover de bij het bestuursorgaan berustende documenten zijn opgesteld als processtuk.

Conclusie

Onder de Woo wordt de verhouding tot de bijzondere openbaarmakingsregelingen van artikel 365, vierde en vijfde lid, Sv, artikel 29 Rv en artikel 8:79 Awb wettelijk vastgelegd. Voor het strafrecht wordt de bestaande jurisprudentie gecodificeerd. Het volledige strafdossier zoals dat is voorgelegd aan de rechter valt buiten het bereik van de Woo. Voor civielrechtelijke en bestuursrechtelijke processtukken gaat dezelfde systematiek gelden: processtukken worden niet openbaar gemaakt voor zover de bij het bestuursorgaan berustende documenten zijn opgesteld als processtuk. Stukken uit het procesdossier die niet specifiek voor de procedure zijn vervaardigd kunnen wel openbaar worden gemaakt op grond van (en met inachtneming van) de Woo.

Meer lezen over de inwerkingtreding van de Woo?

Lees hier de andere delen uit deze blogreeks:

Share This